Home arrow Pensioen
PDF Afdrukken E-mail

Pensioen  (uitleg pensioentermen)

Premie berekenen

Pensioen is een inkomen voor de tijd dat men niet meer werkt op latere leeftijd of niet meer kan werken wegens arbeidsongeschiktheid. Vaak maakt ook een uitkering aan achterblijvende partners en wezen deel uit van een pensioenregeling.

Pensioenstelsel

In de meeste landen bestaat het pensioenstelsel uit drie pijlers. De eerste pijler is een basispensioen, gewoonlijk door de staat geregeld en gewoonlijk gefinancierd door middel van een omslagstelsel (in Nederland de AOW). Deze pijler heeft als doel ten minste een basisvoorziening te scheppen waarmee armoede onder ouderen wordt voorkomen. In sommige landen gaat de eerste pijler veel verder dan een basisinkomen, waardoor de rol van de tweede pijler kleiner is.

De tweede pijler is een secundaire arbeidsvoorwaarde (uitgesteld loon) die een aanvullend pensioen opbouwt, veelal tot de fiscaal toegestane grens (zie Fiscaliteit). Pensioen in de tweede pijler wordt dus altijd opgebouwd in de relatie werkgever-werknemer. De tweede pijler is gefinancierd door middel van een Kapitaaldekkingstelsel of - veel minder vaak - een omslagstelsel, of een combinatie van beide. Het doel van de tweede pijler is om, samen met de eerste pijler, een redelijk inkomen te geven aan de begunstigde dat is gerelateerd aan het gedurende het werkzame leven genoten salaris. Pensioengrondslag is daarom het pensioengevend salaris minus de zogenoemde franchise. Een tweede pijler pensioen van een kapitaalgedekt pensioenfonds wordt gespaard via het beschikbare premiesysteem, het verzekeren van een pensioenkapitaal of het beschikbare uitkeringssysteem. In het laatste geval is de hoogte van het pensioen gebaseerd op het salaris, ofwel op basis van een eindloonsysteem, ofwel op basis van een middelloonsysteem. Ook de zeldzame vastebedragenregeling wordt tot deze categorie gerekend.

In Nederland wordt de tweede pijler pensioenregeling vaak verplicht gesteld om een hoge mate van solidariteit te handhaven. Bovendien kan op deze manier voorkomen worden dat het pensioen een element van concurrentie op de arbeidsmarkt wordt, wat loononderhandelingen eenvoudiger en doorzichtiger maakt.

De pensioenregeling regelt de wijze van opbouw van de pensioenuitkering (of de opbouw van het pensioenkapitaal) uit de tweede pijler. De pensioenregeling moet voldoen aan de dwingende voorschriften van de Pensioenwet. Deze wet vervangt sinds 1 januari 2007 de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW). Verbonden aan de Pensioenwet is een nieuwe methode van de beoordeling van de solvabiliteit van pensioenuitvoerders door de overheid, het Financieel Toetsingskader (FTK).

Pensioen wordt opgebouwd bij een pensioenfonds of pensioenverzekeraar, waaraan de werkgever, de werknemer, of werkgever en werknemer beiden premie betalen. De opgespaarde pensioenpremie zorgt te zijner tijd voor het zogenoemde pensioenkapitaal waaruit het pensioen wordt betaald. Gedurende de opbouwperiode spreekt men van pensioenreserve.

De Pensioenwet verbiedt iedere handeling waardoor pensioenaanspraken of pensioenrechten hun pensioenbestemming verliezen. De Pensioenwet staat slechts in een beperkt aantal situaties toe dat de pensioenreserve wordt overgedragen aan een andere pensioenuitvoerder (pensioenfonds of pensioenverzekeraar), onder andere bij verandering van baan, bij het bereiken van de pensioendatum en bij wijziging van pensioenuitvoerder. Op die manier kan pensioenbreuk in veel gevallen worden voorkomen. In andere landen is dat lang niet altijd het geval. Voor internationale waardeoverdracht gelden tal van barrières, waardoor een succesvolle overdracht vaak niet mogelijk is. De Europese Unie wil hiervoor mogelijkheden scheppen.

De derde pijler is vrijwillig. Het gaat in feite om commerciële spaarproducten met fiscale concessies en beperkingen. Het is bedoeld voor reparatie van pensioenbreuken en -gaten. Deze ontstaan bijvoorbeeld door het veranderen van baan, verblijf in het buitenland of niet deelnemen aan het arbeidsproces. In deze pijler zijn alle pensioenen kapitaalgedekt en georganiseerd via het beschikbare premiesysteem. Nationale en internationale waardeoverdracht is in de praktijk vrijwel niet mogelijk.

Fiscaliteit

Kenmerkend voor de fiscaliteit van pensioen is de omkeerregel (in Nederland artikel 11 lid 1c van de Wet op de loonbelasting): aftrek voor premie, rendement van het pensioenkapitaal onbelast, pensioenuitkering belast. In sommige landen van de Europese Unie is het rendement wel belast. In Luxemburg wordt de omkeerregel niet toegepast, maar is het rendement onbelast. De fiscaliteit van pensioen wordt in Nederland bij wet geregeld in onder andere de Wet op de Loonbelasting en de Wet op de Inkomstenbelasting (ook in een aantal uitvoeringsbesluiten).

In Nederland is het streefniveau vaak 70% van het laatstverdiende inkomen, maar de fiscus staat in bijzondere gevallen een opbouw tot 100% toe. De hoogte van de inleg is gemaximeerd waarbij het uitgangspunt is dat in 35 jaar het maatschappelijk aanvaarde pensioen van 70% van het laatst verdiende salaris kan worden opgebouwd. De opbouw mag daarom per jaar niet hoger zijn dan 2% van de pensioengrondslag voor een pensioen gebaseerd op het laatst genoten salaris (eindloonsysteem) of 2,25% van de pensioengrondslag voor een pensioen gebaseerd op het gemiddeld verdiende salaris (middelloonsysteem). Het toegestane opbouwpercentage bij het middelloonsysteem is hoger dan bij het eindloonsysteem omdat het gemiddeld tijdens de carrière genoten loon in het algemeen lager is dan het laatst genoten loon.

Speciale aandacht verdient nog de fiscale behandeling van het beschikbarepremiesysteem. Probleem bij dit systeem is namelijk dat het uiteindelijke pensioen dat kan worden aangekocht onbekend is. Meestal worden de ingelegde premies belegd in (deels) op aandelen gebaseerde fondsen, waardoor de opbrengsten onzeker zijn. Gevolg kan zijn dat er een pensioen kan worden aangekocht dat boven het maatschappelijk gewenst maximum pensioen van 70% van het laatst verdiende salaris uitkomt.

Om de kans op deze bovenmatigheid zoveel mogelijk in te perken heeft de staatssecretaris van Financiën het besluit beschikbarepremiestaffels genomen.

Pensioengerechtigde leeftijd

In 1889 stichtte Otto von Bismarck het eerste pensioenfonds. De gemiddelde leeftijdsverwachting van een Duitse man was toen 72. De pensioengerechtigde leeftijd werd gesteld op 70 jaar. Deze leeftijd zakte naar 65 jaar, wat een internationale meetlat werd. De pensioengerechtigde leeftijd werd na het salaris een van de belangrijke punten van de vakbonden in loononderhandelingen. In communistische landen beijverden de regimes zich om het pensioen vroeger te laten ingaan. Lagere pensioengerechtigde leeftijden werden ook overeengekomen voor groepen met zware banen, zoals mijnwerkers, bemanning van stoomlocomotieven en voor vrouwen.

Omdat de pensioengerechtigde leeftijd een product van de klassenstrijd was geworden werd hij meer en meer star, ondanks een toenemende levensverwachting en technologische vooruitgang. Bij de vervanging van stoomlocomotieven door diesel- en elektrische locomotieven werd de pensioengerechtigde leeftijd niet aangepast. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft echter wel bepaald dat een lagere pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen niet verenigbaar is met het Europese non-discriminatiebeleid (voor nieuwe lidstaten geldt een overgangstermijn). Aan de andere kant werd echter ook een hogere pensioenpremie voor vrouwen om dezelfde reden afgewezen, hoewel vrouwen langer leven en dus langer pensioen genieten.

In Nederland wordt het pensioen uitgekeerd vanaf het 65e jaar, hoewel er ook nog verschillende vormen van prepensioen bestaan, zowel kapitaalgedekt als op basis van het omslagstelsel. Met ingang van 2005 (2006 voor op 31 december 2004 al bestaande pensioenregelingen) is het in Nederland niet meer mogelijk om fiscaal gefacilieerd prepensioen op te bouwen. In plaats daarvan heeft het Nederlandse kabinet de levensloopregeling geïntroduceerd. Deze kan niet alleen gebruikt worden voor vervroegd pensioen, maar ook voor andere doelen, zoals een langdurig verlof gedurende de loopbaan, bijvoorbeeld ten behoeve van studie of een wereldreis.

 
© 2021 E.F.A. (EerlijkFinancieelAdvies)